Vraag aan tien marathonlopers wat je zeker moet doen in de laatste weken voor je marathon, en negen antwoorden: een training van 30 kilometer. Wij vroegen aan Paul Van Den Bosch van Energy Lab of zo'n sessie nodig is.

"Absoluut niet." Paul Van Den Bosch hoeft niet lang na te denken om de stelling van tafel te vegen. "Het idee is afgekeken van de toplopers. Zij doen dat, maar ze lopen tijdens zo'n training wel sneller dan 4 minuten per kilometer. Zo'n training werken ze af in een tweetal uur. Voor hen is het tempo van die sessie bovendien niet zwaar: hun marathon lopen ze bijna met 3 minuten per kilometer. Die training van 30 kilometer is dus relatief gemakkelijk voor toppers. Bovendien lopen ze in een week gemakkelijk 150 kilometer of meer. Die lange training is met andere woorden amper een vijfde van hun weekvolume."

Maar jij raadt het duidelijk niet iedereen aan?
"Veel mensen namen dat idee van de 30 kilometer-training over. Ook gewone recreanten, die dikwijls trager dan 10 km/u lopen. Dan ben je voor zo'n training van 30 kilometer langer dan drie uur onderweg en breek je meer af dan je opbouwt. Die 30 kilometer vertegenwoordigt voor een recreant al snel meer dan de helft van het weekvolume. Die belasting is veel te groot. Als ik een recreant vraag waarom hij dat doet, antwoordt hij meestal: 'Het is een mentale kwestie. Dan weet ik dat ik de marathon aankan.' Dan antwoord ik ironisch: 'Doe er die laatste 10 kilometer ook nog bij, dan ben je helemaal zeker.'"

Hoe bepaal je de lengte van je langste duurloop? Paul Van Den Bosch legt dit en nog veel meer over dit thema uit in ons maartnummer (nu in de winkel) of hier digitaal.